donderdag 24 januari 2008

Collegialiteit

col·le·ga (dem; collega’s, collegae; collegaatje)
1 vak- of ambtgenoot
2 iem. die in hetzelfde bedrijf werkt

col·le·gi·a·li·teit (dev)
1 kameraadschap onder collega’s

In nood leert men zijn vrienden kennen, zegt het spreekwoord. Voeg daar voor mijn part collega's ook maar aan toe.

Op één van de moeilijkste momenten in mijn leven (mijn grootmoeder ondergaat vandaag een moeilijke operatie, nadat ze al enkele weken doorbracht in het ziekenhuis) hebben mijn collega's besloten zich te hullen in stilzwijgen en zich van me af te wenden. Ok, ik heb de operatie niet aangekondigd maar het is aan mijn gedragingen en de tranen in mijn ogen wel te merken dat er vandaag iets te gebeuren staat. Ook de telefoongesprekken die ik al een hele dag lang voer, spreken boekdelen; wat zeg ik, heelder boeken! Maar mijn collega's blijven van kromme haas gebaren en na mijn voorlaatste gesprek waar de woorden ziekenhuis, operatie en intensieve veelvuldig en perfect gearticuleerd in voorkwamen, is er geen enkel woord meer gesproken. Ik begrijp wel dat het niet gemakkelijk is om over die dingen te praten maar een simpel "Hoe gaat het met je grootmoeder?" zou al volstaan voor mij. Maar blijkbaar vinden mensen het gemakkelijker om te zwijgen...

Geen opmerkingen: